De geschiedenis van een land beschrijven, hoe begin je daar aan? In de meeste gevallen ga je terug tot de periode waarin de natiestaten zijn opgericht, zo ongeveer begin tot midden 19de eeuw. In het geval van Griekenland is die geschiedenis al een keertje beschreven, onder meer in het boek “Greece: Biography of a Modern Nation”, van professor-emeritus Roderick Beaton.

Maar Griekenland als concept, niet zo zeer als land, bestaat natuurlijk al veel langer. En daar kun je ook de geschiedenis van beschrijven. Maar dan is de vraag wel waar je precies begint. De geschiedenis van de Griekse oudheid is genoeg bekend in de hele wereld, dus het lijkt een beetje redundant om die nog eens te beschrijven. De geschiedenis van het Byzantijnse Rijk, dat eigenlijk min of meereen voortzetting van de Griekse cultuur was via een omweg langs Rome, is ook al beschreven, bijvoorbeeld in de “Short History of Byzantium” van John Julius Norwich.

Maar een geschiedenis van Griekenland die begint wanneer het Byzantijnse Rijk aan het uitrafelen is, en die eindigt bij de financiëlecrisis: dat ben ik nooit eerder tegen gekomen. En net die geschiedenis heeft Pieter Borghart neergepend in een nieuwe turf: “Nieuwgriekse geschiedenis. De Griekse wereld van de late middeleeuwen tot vandaag”. Het is een ambitieus werk geworden, dat begint bij de stichting van Constantinopel en dat eindigt bij de regering Mitsotakis die beweert dat de economische crisis achter ons ligt.

De periode tussen deze twee momenten, wordt in 3 delen opgedeeld: De Nieuwgriekse wereld, De Griekse Natiestaat en De hedendaagse Griekse wereld. Eigenlijk zou je elk van deze delen als een apart boek kunnen beschouwen.

In het eerste hoofdstuk “Kiemen van een nieuwe Griekse wereld” schetst de auteur de opkomst van duizendjarige rijk van Byzantium en de plaats van het rijk in de toenmalige wereld. De krijtlijnen van de scheiding tussen oost en west worden getrokken en de wortels van de orthodoxe rite worden beschreven. In iets meer dan 30 pagina’s slaagt Borghart er in om zich een weg te banen tussen het kluwen van de Byzantijnse keizers met gelijkaardige namen, zonder de lezer in verwarring te brengen. Tegelijk schetst hij een beeld van de identiteit die de onderdanen van Byzantium zich toematen. Die identiteit zal belangrijk worden om later in de geschiedenis uit te leggen waarom iemand zich Grieks noemt, hoewel hij niet binnen de Griekse staatsgrenzen woont. Maar ook waarom iemand die Rum (afkomstig van Romein) noemt, en toch binnen de Griekse staatsgrenzen kan wonen. Die identiteitskwestie verklaart waarom de hedendaagse Grieken nog steeds spreken van Constantinopel en haar nog steeds een Griekse stad noemen.

Hoofdstuk 2 “De laat-Byzantijnse en Frankische periode” beschrijft hoe het verzwakte Byzantijnse rijk na de val van Constantinopel in 1453 uit elkaar valt, maar hoe sommige enclaves van Grieksheid verder blijven bestaan.Dat Borghart de term “Frankisch” gebruikt in de titel, gaat terug op de naam die de Grieken nog steeds aan de Westeuropeanen geven in die periode: Φράγκοι (denk nu maar even terug aan de Frankische toren: een gebouw dat tot voor iets meer dan 150 jaar nog op de Akropolis in Athene stond).

Dat klinkt een beetje vreemd voor iemand die over de Franken geleerd heeft in de geschiedenislessen in een Belgische school, maar de Franken zijn voor Grieken diegenen die zowel uit Italië, Frankrijk, als andere delen van Europa kwamen. Hun aanwezigheid begon al eerder bij de kruistochten, waarbij ze er zelfs in 1204 tijdens de vierde kruistocht niet voor terugdeinsden om Constantinopel te plunderen. Delen van het huidige Griekenland hebben Frankische heersers gekend, maar daar is weinig van terug te zien, behalve dan in de Griekse taal. En dat laat Borghart op vele plaatsen zien. Daarbij komt hij op bekend terrein want hij heeft er namelijk ook al over gehad in zijn “Inleiding in de Nieuwgriekse literatuur”, een boek waarover ik het hier eerder ook al een keer heb gehad. Voor mij was het tweede hoofdstuk van de Nieuwgriekse geschiedenis een heuse eye-opener. Heel veel dingen die hier beschreven staan, waren voor mij onbekend.

In hoofdstuk 3 komt Borghart voor mij weer op vertrouwd terrein. Over “De Ottomaanse en Venetiaanse periode” wordt in Griekenland heel veel geschreven, vaak vanuit een nationalistisch standpunt. Daarbij worden soms hardnekkige mythes in stand gehouden wat betreft de Griekse weerstand tegen de Ottomaanse overheersing, zoals bijvoorbeeld de “verborgen school”. De auteur ontmantelt deze mythes vakkundig en laat zien dat zelfs onder Ottomaans bewind ruimte genoeg was voor de Griekse elites om zich te ontplooien en om belangrijke posities in te nemen in het rijk. De Venetiaanse overheersing op zijn beurt, met zijn invloed op de eilanden in de Ionische zee en op Kreta, had een ander karakter. De Venetianen waren in de eerste plaats handelaars maar zagen hun invloed in het Middellandse Zeegebied verminderen naarmate het goed uitgeruste Ottomaanse leger oprukte. Daardoor zagen de Venetiërs zich genoodzaakt om de steun van de locale bevolking te krijgen. Om die reden werd het feodale systeem in de gebieden onder Venetiaanse controle afgeschaft. Anders verging het in de gebieden onder Ottomaanse controle, waar de gewone bevolking in een timar-systeem (land geschonken om voor opbrengst te zorgen om aan een dienstplicht in het Ottomaanse leger te ontsnappen) aan zware belastingen werd onderworpen.

In de Griekse volksmond wordt wel eens gezegd dat Griekenland de Verlichting niet heeft meegemaakt omdat het zich onder Ottomaans juk bevond. Dat is eigenlijk maar een halve waarheid en Borghart verklaart heel duidelijk dat er desondanks aspecten van de Verlichting zijn doorgespijld in de Ottomaanse maatschappij. Niet dat de gewone bevolking daar veel van merkte.

Borghart eindigt het hoofdstuk – en meteen ook het eerste deel van zijn Nieuwgriekse Geschiedenis – met de sporen van het eerste verzet tegen de Ottomaanse overheersing, na ruim 4 eeuwen.

In het tweede boek “De Griekse natiestaat” wordt het pad beschreven dat Griekenland bewandelde om de tweede natiestaat ter wereld (na Haïti) te worden. De onafhankelijkheid kwam er niet enkel door het verzet (dat slecht georganiseerd was door de fracties die elkaar onderling bevochten), maar ook door de steun vanuit West-Europa. Maar een factor die minder aandacht krijgt, en waar de auteur op wijst, is dat de vruchten van de eerste industriële revolutie aan het Ottomaanse Rijk voorbij gingen.

Borghart beschrijft in het vierde hoofdstuk ”De sirenenzang van de onafhankelijkheid” hoe de onafhankelijkheidstrijd werd onderhandeld in achterafkamertjes, en hoe de Griekse intellectuele elite heel dubbel stond tegenover een Griekse onafhankelijkheid. Velen hadden namelijk een goed postje aan het hof van de sultan, dat hij een Griekse opstand in het gedrang zou kunnen komen. De grondigheid waarmee de auteur alle details beschrijft waren eens te meer een openbaring voor me.

In het volgende deel, “De Uitbouw van de natiestaat”, wordt duidelijk dat de vele families en clans die privileges hadden opgebouwd onder Ottomaans bestuur, die niet makkelijk lieten vallen om een nieuwe staat uit te bouwen. De leider van de onafhankelijkheidsstrijd, Theodoros Kolokotronis, wordt gevangen gezet, en de eerste gouverneur van Griekenland, Ioannis Kapodistrias, laat het leven door een kogel van een lid van een van de families uit de Mani.

Ook de eerste koning van de nieuwe natiestaat, Otto van Beieren, heeft het niet onder de markt. De buitenlandse geldschieters, die de Griekse onafhankelijkheidsstrijd hebben gefinancierd, begonnen hun geld terug te eisen (een eerste lening aan Griekenland), wat leidde tot een crisis in de jonge staat. Verder zorgden de uiteenlopende belangen van de verschillende bevolkingsgroepen en de absolutistische trekken van Otto er voor dat de Duitser en zijn gevolg na een paar jaar al de laan worden uitgestuurd. Borghart beschrijft in detail om welke bevolkingsgroepen het gaat en welke belangen bij hen spelen. Het is duidelijk dat het oprichten van een natiestaat geen eenvoudig werk is.

De auteur gaat dieper in op het creëren van de Griekse nationale identiteit. Daarbij wordt teruggegrepen naar het oude Griekenland, en vaak dienen daarvoor alle sporen te worden gewist die uiting geven van andere culturele invloeden. Om dezelfde reden dient iedereen in de nieuwe staat dan ook Grieks te spreken. Een eis die bijna met het zwaard wordt afgedwongen: anderstaligen die toevallig binnen de nieuw uitgetekende landsgrenzen wonen, mogen hun moedertaal niet gebruiken. 

En daarmee worden de kiemen gelegd van de Μεγάλη Ιδέα. Hoofdstuk 6: “Van Grote Idee tot Catastrofe” beschrijft een groter wordend Griekenland, dat er in slaagt om delen van het afbrokkelende Ottomaanse Rijk in te lijven. Het nationalisme viert hoogtij en het idee ontstaat om de nieuwe Griekse staat uit te breiden tot de gebieden van het oude Griekenland. Hybris zou je dat kunnen noemen, want het jonge Griekenland was niet opgewassen tegen de oorlogen die daarvoor dienden te worden gevoerd. De nederlagen in heel wat gewapende conflicten zorgen voor een algemeen gevoel van defaitisme. Binnen die context staat eind 19de eeuw een nieuwe Griekse leider op die zijn stempel heel nadrukkelijk zal zetten op de komende decennia: Eleftherios Venizelos. Aan de andere kant van de Egeïsche Zee maakten de jonge Turken hun opwachting, onder leiding van Kemal Ataturk, die overigens in Thessaloniki is geboren. Griekenland krijgt stilaan zijn huidige vorm onder Venizelos en Borghart laat zien dat het geen eenvoudig proces is geweest. Meteen krijg je er ook de analyse bij waar de Macedonische naamskwestie zijn oorsprong vindt.  In dezelfde periode lijdt het Griekse leger een beschamende nederlaag in Klein-Azie, die eindigt in de grote Catastrofe. De Grote Idee kan worden opgeborgen, en het verbrokkelde Ottomaanse Rijk raapt de stukken bij elkaar en vormt zich om tot een Turkse natiestaat.

Waarmee we uitkomen bij het derde deel: “De hedendaagse Griekse wereld”. Dat is grotendeels de geschiedenis van de 20ste eeuw, en die begint met de bevolkingsuitwisseling tussen Turkije en Griekenland. U leest in Hoofdstuk 7: “Van bevolkingsuitwisseling tot burgeroorlog” hoe Athene begint uit te groeien tot de metropool die de stad nu is en hoe de politieke krijtlijnen voor de volgende decennia worden getrokken. Wie een begrip wil krijgen van het huidige politieke klimaat in Griekenland, kan hier terecht. Van de dictator Metaxas, de Tweede Wereldoorlog en het verzet tegen de Nazi bezetter tot het begin van de Griekse burgeroorlog. Een burgeroorlog die in 2025 nog steeds niet verteerd is. De breuklijnen tussen het verzet en de collaboratie zijn nog steeds zichtbaar in de verschillende politieke facties. De geschiedenis wordt geschreven vanuit het standpunt van de winnaar, wordt wel eens gezegd. Het is een val waarin Borghart niet trapt: hij toont vooral hoe Griekenland verliest bij een burgeroorlog.

Het gevolg van die burgeroorlog is wel dat Griekenland niet achter het ijzeren gordijn verdween. Mensen die er van verdacht werden communistische sympathieën te hebben, hadden het wel bijzonder moeilijk en Borghart laat je al een glimp zien van de moeilijkheden waarmee ze te kampen hadden.

Het achtste hoofdstuk “Van economisch wonder to junta” laat een land zien dat stilaan volwassen lijkt te worden en enige economische groei schijnt te kennen. De steden groeien, het binnenland ontvolkt, maar armoede buiten de grote steden zorgt er voor dat heel wat mensen zich gedwongen zien om te emigreren. In een instabiel politiek klimaat worden de kiemen gelegd voor een staatsgreep. Het Kolonelsregime zal 7 jaar duren en zal eindigen met een flinke domper: na een mislukte poging van de kolonels om Cyprus met Griekenland te verbinden, valt het Turkse leger in Cyprus binnen. In 2025 is de Cypriotische hoofdstad Nicosia nog de enige verdeelde stad in Europa. De helft van het eiland is in Turkse handen en de kans op hereniging is zo goed als onbestaande.

Borghart beschrijft in dit hoofdstuk het leven onder de junta en ik zie er verhalen in terug die ik bij mijn Griekse familie heb gehoord. Het is niet overdreven om het een schrikbewind tenoemen, en je kon maar beter niet verdacht worden van communistische sympathieën of je kwam in werkkampen terecht, of erger nog, in een folterkamer. Dat was ook het lot van talrijke grote namen uit de culturele sector, die hun stempel hebben gedrukt op de Griekse muziek, literatuur, cinema en het politieke leven.

Het laatste hoofdstuk “Van democratisch herstel tot crisis” schetst het beeld van een land dat het juk van de junta van zich afwerpt, en van een volk dat achter nieuwe Messiassen aanloopt. Een van die Messiassen is Andreas Papandreou, die een apart kapitel krijgt in het boek. Om de crisis van 2010 goed te kunnen begrijpen, is dit hoofdstuk van onschatbare waarde.

Wat duidelijk wordt in de ruim 500 pagina’s, is dat Griekenland geografisch in een deel van Europa ligt waar het eigenlijk nooit rustig is geweest. Een geschiedenis van keizerrijken, tirannen, onderdrukkers, en identiteiten op basis van andere karakteristieken dan enkel een natie. Het is geen eenvoudig project om dat in een goed overzicht te proppen. Maar dat heeft Borghart dus wel gedaan, en hij is daar bijzonder goed in geslaagd. En niet enkel dat: hij kent de geschiedenis, maar hij begrijpt ook heel erg goed de Griekse psyche. Iets wat je niet altijd bij auteurs van geschiedeniswerken terug vindt.

Doorheen het hele boek zie je Borghart ook verwijzen naar zijn vakgebied: de filologie en de Griekse literatuur. Door de geschiedenis te beschrijven, krijgt hij ook de gelegenheid om de invloed van andere talen op het Grieks aan te tonen, en om ook te beschrijven hoe een nationalistische reactie geboorte gaf aan Griekse neologismen. Als filoloog is dat een aspect dat ik ook bijzonder wist te waarderen in dit boek.

Nieuwgriekse geschiedenis leest heel erg vlot, en blijft tegelijk heel erg grondig. Ik heb in mijn boekenkast meerdere boeken staan over de Griekse geschiedenis (die trouwens in de bibliografie van dit werk terug te vinden zijn), maar ik zal sneller naar dit werk teruggrijpen als ik mijn geheugen over een bepaalde periode weer wat wil opfrissen.

Misschien geen boek om te lezen op een Grieks strand, maar wel een boek dat de filhelleen voldoende bagage geeft om dit complexe land weer een beetje beter te begrijpen.

Het boek is uitgegeven door Houtekiet, en kan daar ook worden besteld: https://houtekiet.be/products/nieuwgriekse-geschiedenis.

Het is een turf van 526 bladzijden, bibliografie inbegrepen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *