Zeven jaar geleden, we schrijven 21 augustus 2018, kondigde toenmalig premier Alexis Tsipras feestelijk aan dat Griekenland het strakke keurslijf van de zogenaamde memoranda (het toezicht, aanvankelijk van de trojka, en sinds 2015 van Europa zonder het IMF) van zich had afgeworpen.

Waar Georgos Papandreou de hulp van de trojka inriep vanop het eiland Kastellorizo (het verste punt van de hoofdstad Athene), koos Tsipras als achtergrond het eiland Ithaki. Niet toevallig: Ithaca is in de mythologie het eiland van Odysseus, die na lange omzwervingen daar weer thuis komt. In de Griekse taal wordt nog regelmatig gesproken van een zoektocht naar Ithaca, voor mensen die naar hun nest zoeken.

Griekenland is er inderdaad in geslaagd om weer terug te keren naar een min of meer normale situatie, waarbij er natuurlijk, zoals in alle EU-landen, toezicht wordt uitgeoefend op basis van de regels van het EU-Stabiliteitspact.

Maar is – zeven jaar later – de situatie van het land en vooral van de burgers verbeterd en kunnen we in Griekenland van een groei spreken?

Heeft Griekenland lessen getrokken uit het verleden en zijn er nu bakens uitgezet voor een stabielere toekomst?

Vrijwel het hele politieke systeem is het er over eens dat regels die de begrotingsstabiliteit niet ondermijnen, dienen te worden opgevolgd. Ondanks de inspanningen die tot 2019 (regering Tsipras) zijn geleverd en de hervormingsretoriek sindsdien, lijkt het erop dat er nog heel wat achterstand is weg te werken.

Sinds 2019 bleven een reeks ingrepen en hervormingen, die een duurzame economische koers zouden uitstippelen en het land zouden stabiliseren, dode letter zijn gebleven. Of ze werden met vertraging toegepast. Het gevolg hiervan is dat het productiemodel van het land, op basis van analyses en rapporten van analisten en gezaghebbende instanties, sociale partners enz., zoals de Foundation for Economic & Industrial Research en de SEV – Griekse Federatie van Bedrijven, niet is veranderd.

Op dit moment is de Griekse economische groei vooral gebaseerd op onroerend goed (vooral verkocht aan buitenlandse “investeerders”) en toerisme, maar structurele maatregelen die in het derde memorandum waren vastgelegd, en die blijkbaar ook een ontwikkelingsaspect hadden, zijn op de lange baan geschoven of gewoon in een bureaulade vergeten. Meer bepaald ging het onder meer om de volgende maatregelen:

  • In de nationale ruimtelijke ordening hebben de stappen naar achter, met name in de lokale stedenbouwkundige plannen, het toerisme of de ruimtelijke ordening van hernieuwbare energiebronnen (denk aan windmolens en zonnepanelen, die blijkbaar in het wilde weg worden gezet), tot vertragingen geleid, met als gevolg dat het land nog steeds zonder “duurzaamheidsroutemap” voortgaat.
  • Op energiegebied wordt nog steeds gezocht naar een termijnaankoop van elektriciteit op de energiebeurs en naar substantiële maatregelen om de industrie te beschermen. Dat gebeurt in de EU op grote schaal, maar niet in Griekenland. In plaats van dat huishoudens kunnen profiteren van de voordelen van groene energie (Griekenland produceert heel veel elektriciteit via hernieuwbare bronnen),of dat ze voldoende bescherming krijgen tegen woekerpraktijken, krijgen ze zeer hoge elektriciteitsrekeningen waar ze niets van begrijpen omdat ze prijzen gekoppeld zijn aan de schommelingen van de markten.
  • Wat betreft de verandering in de verhouding tussen directe en indirecte belastingen, bleef het streven naar herstel van de Europese norm een open vraag. De OESO en andere buitenlandse organisaties blijven wijzen op de noodzaak om de overschotten van de belastingen op een rechtvaardiger manier te gebruiken. Griekenland heeft zich gebonden aan het optekenen van primaire surplussen op de begroting tot het jaar 2060 (iets wat geen enkel land ooit heeft klaargespeeld). Die surplussen komen er door een enorme belastingdruk, en omdat de regering weigert om de BTW te verlagen (om die surplussen te behalen), is de inflatie in Griekenland bij de hoogste in Europa. En de surplussen worden als goed nieuws verkocht, om daarna de overschotten te gebruiken om vouchers uit delen (de neoliberale regering spreekt niet van subsidies, maar van een pass, die komt er bijvoorbeeld telkens een gebied is afgebrand) of om cadeautjes uit te delen op de internationale handelsbeurs in Thessaloniki (Mitsotakis zal het dit jaar begin september weer doen – let op mijn woorden).

Wat we de voorbije maanden ook hebben gezien is vanuit Europa dat historisch hoge bedragen werden toegekend aan Griekenland, maar dat die bedragen niet op een “Europese” manier werden aangewend, maar veeleer werden gebruikt om een cliëntelistische staat te bedienen (zie het OPEKEPE-schandaal).

Deze fenomenen vinden echter plaats in een context van demografische krimp en voortdurende verlies van talent door een niet aflatende braindrain.

Zo blijkt uit onderzoek dat dit keer is gepresenteerd door het Instituut voor Demografisch Onderzoek en Studies van de Universiteit van Thessalië dat de arbeidsmarkt in Griekenland jongeren ertoe aanzet om elders een betere kans te zoeken, omdat ze het gevoel hebben dat hun kwalificaties hier niet worden benut, hun carrièremogelijkheden beperkt zijn en hun salarissen ver onder de kosten van een fatsoenlijk bestaan liggen.

37,3% van de jongeren die aan het onderzoek deelnamen, gaf aan te overwegen om naar het buitenland te vertrekken op zoek naar een betere baan, terwijl 1 op de 10 met een masterdiploma/doctoraat overweegt om in Griekenland te blijven, maar op afstand werk in het buitenland te zoeken. Op basis van de antwoorden van de jongste deelnemers aan het onderzoek lijkt het beeld nog slechter, aangezien bijna 1 op de 2 (44,4%) van de 17- tot 24-jarigen overweegt om naar het buitenland te vertrekken.

Voor 1 op de 3 jongeren tussen 17 en 34 jaar die aangeven te overwegen om te emigreren, is de belangrijkste reden de hoge kosten in combinatie met de lage lonen. Ze geven aan dat ze moeite hebben om in hun maandelijkse behoeften te voorzien en denken dat ze elders een beter lot tegemoet gaan.

35,6% van de jonge werknemers vindt dat ze niet over meer vaardigheden beschikken dan hun baan vereist, een percentage dat oploopt tot 48,3% voor houders van een masterdiploma/doctoraat. Sterker nog, 1 op de 3 zegt dat hij of zij werkt in een vakgebied dat niets te maken heeft met wat hij of zij heeft gestudeerd.

Wat de macro-economische prestaties betreft, moet worden opgemerkt dat er in de loop der jaren inderdaad vooruitgang is geboekt. Er moet echter ook rekening worden gehouden met de omvang van de kansen die zijn ontstaan door het ongekende en bijna Keynesiaanse financieringsprogramma van de EU.

Zo bedroeg de werkloosheid in januari 2015 nog 25,6%, maar in juli 2019 was die, ondanks de strenge bezuinigingsmaatregelen, al gedaald tot 17,9%.

In juli 2023, met zoveel beschikbare middelen en met een demografische krimp, bedroeg de werkloosheid 11,7%. In mei 2025 was dat 7,9%, hoewel de definitieve werkloosheidscijfers van ELSTAT nog moeten worden bekendgemaakt. Ter herinnering: in januari 2004 (meer dan 20 jaar geleden) bedroeg de werkloosheid 11,4%.

Wat betreft koopkracht staat Griekenland voor grote uitdagingen. Het land staat in de EU op de 13e plaats wat betreft koopkracht. Het salarisniveau lijkt in vergelijking met 2009 in nominale waarden aanzienlijk hoger dan 701 euro (9.814 euro op jaarbasis), maar in reële termen ligt het wel op hetzelfde niveau, aangezien de inflatie tussen 2009 en 2024 cumulatief met 24,2% is gestegen.

Dit komt echter niet tot uiting in het algemene gemiddelde loonniveau, zoals analisten benadrukken, want hoewel het gemiddelde loon voor 2024 volgens de gegevens van ERGANI op 1.342 euro (bruto) ligt, blijft dit niveau aanzienlijk lager dan de 1.542 euro (bruto) van 2009 en ligt het ook 30% lager in koopkracht, precies zoals de OESO had geraamd.

Een ander gegeven dat uit de gegevens van Eurostat naar voren komt, is dat het gemiddelde loonniveau in Griekenland voortdurend daalt ten opzichte van het gemiddelde loonniveau in de Europese landen, wat aantoont dat het land niet alleen niet convergeert met Europa, maar juist afwijkt van het Europese welvaartsniveau.

Bovendien bedroeg het gemiddelde jaarlijkse bruto-inkomen bij volledige werkgelegenheid in Griekenland voor 2023 volgens gegevens van Eurostat ongeveer 17.000 euro, wat ver onder het Europese gemiddelde van 37.900 euro ligt. Dus:

  • Tussen 2019 en 2023 steeg het reële beschikbare inkomen van huishoudens met ongeveer 8,3 miljard euro en de reële consumptie met 7,9 miljard euro.
  • De overeenkomstige stijging van de totale reële lonen bedroeg slechts 130 miljoen euro, terwijl het reële inkomen uit niet-loontrekkende arbeid met 2,6 miljard euro steeg en het reële inkomen uit vermogen met 4,5 miljard euro.
  • In dezelfde periode leverden de lonen in Griekenland de op een na kleinste bijdrage aan de stijging van het reële primaire inkomen van huishoudens in de EU.

Meer dan vijftien jaar na het uitbreken van de economische crisis blijven de lonen in Griekenland steken op een niveau dat voor een groot deel van de werknemers geen fatsoenlijk levensonderhoud garandeert.

In de periode 2009-2024 is het gemiddelde reële jaarsalaris in Griekenland met 32,8% gedaald. In de periode 2019-2024 bedroeg de daling 1,1%, ondanks de stijging van het gemiddelde reële jaarsalaris met 2,9% in de periode 2023-2024.

Ook steeg de reële arbeidsproductiviteit in de hele economie in de periode 2019-2024 met 1,2 %, maar daalde het gemiddelde reële uurloon met 4,7 %.

Ondanks het feit dat het land de memoranda achter zich geeft gelaten en de nominale lonen zijn gestegen, zijn de reële lonen per gewerkt uur in de periode 2019-2022 gedaald, onder meer als gevolg van de inflatiecrisis.

Volgens Eurostat behoort Griekenland verder tot de drie landen met het hoogste percentage ernstige materiële en sociale achterstand onder jongeren, met een percentage van 14,4%, bijna drie keer zo hoog als het Europese gemiddelde van 5,8%.

Daarmee staat Griekenland alleen onder Bulgarije, met een percentage van 17,2%, en Roemenië, met 14,7%.

Ondertussen is de inflatie op basisgoederen (voeding, huisvesting, energie enz.) zo hoog, wat betekent dat zonder het nemen van noodmaatregelen – zoals bijvoorbeeld het verlagen van de btw en de speciale verbruiksbelastingen voor basisgoederen – de belastingdruk zal blijven stijgen. De regering heeft bewust voor een beleid gekozen om meer inkomsten te genereren uit de btw en andere indirecte belastingen om de primaire surplussen te genereren, zonder rekening te houden met de gevolgen voor werknemers, gepensioneerden en iedereen met een relatief stabiel inkomen.

In de periode 2019-2024 was er een daling van 16,4% van de overheidsschuld (schuld van de algemene overheid) als percentage van het bbp(het jaar van covid-19 buiten beschouwing gelaten). In absolute cijfers: in 2024 bedroeg de overheidsschuld 264 miljard euro, wat overeenkomt met 153% van het bbp. Dat is nog steeds gevoelig hoger dan in 2010, toen de hulp van de trojka diende te worden ingeroepen. Maar destijds was de perceptie over Griekenland helemaal anders.

Analisten merken op dat voor de betreffende periode (2019-2024) de daling van de overheidsschuld als percentage van het bbp voor 67% te danken is aan de inflatie en voor 33% aan de productiviteit en de economische activiteit. Dat zijn geen cijfers die op duurzame ontwikkeling wijzen.

Tegelijk bereikte de particuliere schuld, dat wil zeggen het bedrag dat de Grieken verschuldigd zijn aan de overheid (belastingdienst – sociale zekerheid) en financiële instellingen (banken – servicers en incassobureau’s), in 2024 het astronomische bedrag van 226 miljard euro.

De totale particuliere schuld bedraagt 376,6 miljard euro, waarbij de achterstallige schulden 225,6 miljard euro bedragen (gegevens tweede kwartaal 2024) tegenover respectievelijk 372,9 miljard euro en 223 miljard euro in 2023.Ook dat zijn geen duurzame cijfers.

Het sociale beleid dat in Griekenland wordt gevoerd, leidt niet tot een vermindering van armoede en economische ongelijkheid, maar houdt deze juist in stand en in sommige gevallen neemt de ongelijkheid zelfs toe.

Dit is de algemene beoordeling van het Griekse netwerk voor de bestrijding van armoede op basis van de gegevens die ELSTAT op 16 april 2025 heeft gepubliceerd.

Meer specifiek:

  • De economische ongelijkheid blijft hoog, met slechts een lichte verbetering in sommige indicatoren ten opzichte van voorgaande jaren. Dit wijst op stagnatie in de strijd tegen inkomensongelijkheid.
  • Met een Gini-coëfficiënt die onveranderd blijft op 31,8% is er geen significante vooruitgang geboekt.
  • De inkomensverdeling is bijzonder ongelijk. De armste 25% beschikt over slechts 10,3% van het totale inkomen, terwijl de rijkste 25% bijna de helft, of 45,6% bezit.
  • Als je die cijfers wat beter bekijkt, zie je dat de kloof nog groter is. De armste 20% heeft maar 7,5% van het inkomen, terwijl de rijkste 20% 39,5% heeft.

Of Griekenland er nu bovenop is en op het goed pad is, is zeer twijfelachtig.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *