Het beeld van de Griekse economie, zoals dat wordt weergegeven in de officiële macro-economische indicatoren, wekt de indruk van stabilisatie en een krachtige terugkeer naar de Europese normaliteit. Het gaat weer goed met Griekenland, zo luidt het. Het land zou zelfs een voorbeeldfunctie hebben, volgens bepaalde politici in Europa. De daling van de verhouding tussen de overheidsschuld en het bbp, het behalen van hoge primaire overschotten (een eis in het derde memorandum dat Tsipras heeft getekend) en de positieve groeicijfers worden vaak aangevoerd als bewijs van een geslaagde economische transformatie. Het jaarverslag van het Arbeidsinstituut van de GSEE (INE GSEE) voor 2026 dat vorige week is gepubliceerd, toont echter een heel ander beeld.

Ik heb het rapport even voor u doorgenomen.

Achter de schitterende “vitrine” van de cijfers gaat een ontwikkelingsmodel schuil met diepgaande structurele tekortkomingen, een model dat weliswaar statistische welvaart oplevert, maar de werkelijke koopkracht van de samenleving uitput en ernstige regionale en sociale ongelijkheden in stand houdt.

De belangrijkste tegenstrijdigheid van de hedendaagse Griekse economie ligt in de kloof tussen de nominale groei en de werkelijke economische situatie van de huishoudens. Volgens de gegevens uit het rapport bedroeg het reële bbp in 2025 per capita in Griekenland 19.400 euro, terwijl het gemiddelde in de Europese Unie van 27 lidstaten uitkwam op 34.110 euro. Dat is ongeveer 75% hoger.

Dat is een duizelingwekkende kloof. Nog zorgwekkender is echter de weergave in termen van koopkrachtpariteit (PPS – Purchasing Power Standard), een indicator die de werkelijke levensstandaard weergeeft, rekening houdend met het prijsniveau. Griekenland zit op slechts 68 % van het Europese gemiddelde, wat een marginale en in feite verwaarloosbare verbetering is ten opzichte van de 66 % in 2019.

Deze bevinding toont aan dat de gerealiseerde economische groei niet doorsijpelt naar de brede bevolking. Griekenland bengelt onderaan de Europese statistieken wat betreft koopkracht, aangezien de prijsstijgingen en de structurele inflatie van de afgelopen jaren eventuele nominale winsten teniet hebben gedaan. Het economische model levert dus cijfers op die de balansen doen glanzen, maar slaagt er niet in de burgers de voorwaarden te bieden voor een daadwerkelijke economische convergentie met de rest van Europa.

Het onderzoek van het INE-GSEE legt de scheve structuur van de binnenlandse vraag bloot. Een gezond en duurzaam economisch model moet een evenwicht vinden tussen consumptie, investeringen in vaste activa en export. In het geval van Griekenland wordt de groei nog steeds onevenredig sterk aangedreven door de particuliere consumptie, die 67,8 % van het bbp uitmaakte in 2025, terwijl het overeenkomstige gemiddelde in de EU-27 slechts 51,2 % bedroeg.

Deze buitensporige afhankelijkheid van de huishoudconsumptie vormt een van de belangrijkste zwakke punten van het systeem. Wanneer de groei berust op wat de burger van zijn inkomen uitgeeft – vaak door inkomsten te hergebruiken via uitkeringen of consumptieve kredieten – en niet op de productie van nieuwe rijkdom en producten met een hoge toegevoegde waarde, ontbreekt het de economie aan stabiele fundamenten. Consumptie kan geen garantie bieden voor stabiliteit op de lange termijn, zeker niet in een omgeving waarin het beschikbare inkomen onder enorme druk staat.

‘Ja maar’, hoor je de Griekse regering zeggen, ‘we trekken toch heel wat investeringen aan’? Het rapport vermeldt inderdaad dat het aandeel van de investeringen in 2025 is gestegen tot 16,9 % van het bbp, wat een aanzienlijke stijging betekent ten opzichte van het historisch lage niveau van 11 % in 2019. Een kwalitatieve analyse van deze investeringen brengt echter een uiterst problematische realiteit aan het licht. De investeringskloof ten opzichte van de EU (waar het gemiddelde op 21,3 % ligt) blijft groot, maar het grootste probleem is wat er met die investeringen gebeurt.

In plaats van dat het kapitaal naar de industrie, de verwerkende industrie en geavanceerde technologieën stroomt – die de economie voor de toekomst zouden moeten wapenen – vloeit het massaal naar activiteiten met een laag multiplicatie-effect. Het aandeel van woningen en vastgoed in de bruto-investeringen in vaste activa is gestegen van 7,4% in 2019 naar maar liefst 18,2% in 2025. Daarentegen zijn de investeringen in technologie-, IT- en communicatieapparatuur gedaald van 9,6% naar 7,7%, terwijl de investeringen in mechanische apparatuur zijn afgenomen van 27,4% naar 23,8%.

De economie richt zich dus op een eenzijdige en kwetsbare sector, namelijk die van onroerend goed en de bouw, wat doet denken aan de onevenwichtigheden uit het verleden. Vastgoed en toerisme kunnen snel inkomsten en indrukwekkende cijfers in de statistieken opleveren, maar vormen geen duurzame productieve transformatie.

Dit gebrek aan een productiebasis vertaalt zich direct in het onvermogen van het land om zijn afhankelijkheid van invoer te beperken. De netto-uitvoer van Griekenland is dramatisch verslechterd, met een negatieve handelsbalans van -1,5% van het bbp in 2019 tot -4,5% in 2025. Tegelijkertijd vertoont de EU-27 een overschot op de handelsbalans van 3,8% van het bbp.

Het feit dat de toename van de binnenlandse vraag vrijwel automatisch leidt tot een stijging van de invoer, wijst erop dat de binnenlandse productie ontoereikend is om zowel de basisbehoeften als de investeringsbehoeften van het land te dekken. Dit structurele tekort maakt de Griekse economie permanent kwetsbaar voor externe geopolitieke, economische en energetische verstoringen, waardoor elke poging tot een autonome en stabiele koers wordt ondermijnd.

Het rapport van INE_GSEE analyseert verder ook de situatie op de arbeidsmarkt die duidelijk het falen van het model illustreert om macro-economische indicatoren om te zetten in maatschappelijk welzijn. De officiële retoriek richt zich op het terugdringen van de werkloosheid en het creëren van meer banen.

Maar daar achter zit een een sombere kwalitatieve realiteit.

Ten eerste blijven de reële lonen volledig stagneren. Ondanks de nominale stijgingen vertoonde het gemiddelde jaarlijkse reële loon in de periode 2019-2025 een stijging van vrijwel nul, namelijk 0,3%. Als we bovendien kijken naar de periode vanaf 2021, die het begin markeert van de grote inflatiecrisis, blijkt het reële loon met 1,3% te zijn gedaald. De werknemers produceren dus meer, maar worden in termen van reële koopkracht minder beloond, waardoor hun levensstandaard voortdurend verslechtert.

Ten tweede zal de arbeidsparticipatie (in de leeftijdsgroep van 15-64 jaar) in 2025 weliswaar 64,6 % bedragen, maar blijft deze nog steeds aanzienlijk achter bij het Europese gemiddelde van 71 %. Deze achterstand wordt nog dramatischer wanneer we kijken naar vrouwen (56,5% tegenover 66,6% in de EU) en jongeren in de leeftijdscategorie 15-29 jaar, waar de arbeidsparticipatie slechts 36,2% bedraagt, tegenover 49,1% in Europa.

Ten derde kent Griekenland nog steeds een hoog aantal wekelijkse werkuren in vergelijking met andere Europese economieën, met name in belangrijke werkgelegenheidssectoren. In de groothandel en detailhandel, waar 17,6 % van de totale werkgelegenheid is geconcentreerd, bedroeg in 2025 het gemiddelde aantal normale wekelijkse werkuren 42,3, het hoogste cijfer van de onderzochte landen. In de verwerkende industrie bedraagt het gemiddelde aantal wekelijkse werkuren 41,7, eveneens hoger dan in vergelijkbare groepen EU-landen. In de primaire sector werken de meeste werknemers gemiddeld 47,1 uur per week. Dit beeld laat zien dat de Griekse arbeidsmarkt niet alleen te kampen heeft met lage lonen, maar ook met intensivering van het werk.

Ten vierde wordt de Griekse economie gekenmerkt door een buitengewoon hoog percentage langdurige werkloosheid. 55,8 % van de werklozen bevindt zich al meer dan 12 maanden buiten de arbeidsmarkt, een percentage dat bijna het dubbele bedraagt van de 31,5 % in de EU. Het meest tragische is dat deze structurele valkuil vooral afgestudeerden van het hoger onderwijs treft, waar de langdurige werkloosheid oploopt tot 56%. Het productiesysteem van het land slaagt er niet in zijn hoogopgeleide wetenschappelijke talent op te nemen en te benutten, waardoor een vicieuze cirkel van ondertewerkstelling en emigratie in stand wordt gehouden.

Ten slotte verloopt het herstel van de werkgelegenheid op regionaal niveau zeer ongelijkmatig. Terwijl regio’s met een sterke toeristische of administratieve activiteit, zoals Kreta en Attika, werkgelegenheidscijfers van rond de 67-68 % laten zien, blijven regio’s met een traditionele productiesector of een post-steenkoolindustrie, zoals West-Macedonië, steken op 56,3%, wat de sterke geografische ongelijkheden in het land benadrukt.

De begrotingsstabiliteit, de afbouw van de schuld tot 146,1% van het bbp en de hoge primaire overschotten van 4,9% zijn ongetwijfeld positieve statistische cijfers. Maar het rapport van het INE-GSEE waarschuwt: als deze begrotingsaanpassing niet gepaard gaat met een moedige en gecoördineerde koerswijziging gericht op het versterken van de productiebasis, het rechtvaardig verhogen van de lonen en het beschermen van de sociale zekerheid, zal het Griekse economische model een kwetsbare “vitrine“ blijven. Dat blijf je niet verkocht krijgen. Een strategie die is gebaseerd op overconsumptie, het bevriezen van reële lonen en op investeringen uitsluitend in vastgoed, heeft haar grenzen bereikt. Ze levert cijfers op die er in rapporten goed uitzien, maar put de koopkracht en het draagvermogen van de samenleving uit. Om de groei stevige fundamenten te geven, is een nieuw, inclusief model nodig dat de kwaliteit van het werk, technologische vooruitgang en daadwerkelijke

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *